Home / Leer zeilen de tweede stap

Leer zeilen de tweede stap

Beantwoord hierna de vragen en vergelijk het antwoord door op de vraag zelf te klikken. 

vraag 1: wat is het verschil tussen oploeven en afvallen

Bij oploeven gaat beweegt de voorsteven van de boot zich naar de windrichting toe zodat het schip bijvoorbeeld van halve wind meer aan de wind gaat varen. Bij afvallen is deze beweging precies andersom.

Vraag 2: Wat verstaat men onder een kruisrak

Bij zeilwedstrijden wordt van boei naar boei gevaren en een stuk tussen twee boeien heet daar een rak. Wanneer het eindpunt bovenwinds ligt van het beginpunt spreekt men van een kruisrak. Men start dan tegen de wind in en zal moeten kruisen om het eindpunt te kunnen bereiken.
Als de wind uit de richting komt waarheen gevaren moet worden is het dus niet mogelijk rechtstreeks naar de volgende boei te varen. Wel kan, door aan de wind te varen, min of meer een koers worden gevaren richting de volgende boei. Omdat deze koers niet rechtstreeks te bezeilen is, moet steeds over een andere boeg gezeild worden. Dit noemt men laveren of kruisen. De baan die kruisend gevaren moet worden heet een kruisrak.

Vraag 3: De stuurman wil overstag gaan. Wat is de eerste handeling ?

Het eerste dat hij doet is kijken of het gebied waar de draai plaats vind vrij is van scheepvaartverkeer. Dan zal de roerganger de vaart terugbrengen, door op te loeven tot onder een hoek van ongeveer 40-45 graden aan de wind en pas dan zal hij of zij de draai doorzetten door overstag te gaan.

Vraag 4: Aansluitend op vraag 3. Wat is de daarop volgende actie om de manoeuvre goed te laten verlopen.

Op dit punt vraagt de stuurman aan de bemanning die we gereed hebben of ze klaar zijn om de tot de wending over te gaan. Hij wil er zeker van zijn dat het bemanningslid bij de fokschoot waar spanning op staat gereed is om deze uit de klem te halen en vast te houden. Wanneer iedereen er klaar voor is roept de bemanning klaar! en dit is het momentt wanneer we onze draai beginnen om door de wind te gaan.

Vraag 5: Er is nog een punt waar je als stuurman goed opmoet letten als hij met de draai begint.

Heel belangrijk is dat wanneer je deze manoeuvre van het overstag gaan begint dat je precies de juiste hoeveelheid snelheid houdt. Je wil niet te snel gaan of nog erger te veel snelheid verliezen met het risico dat je boeg tegen de wind in blijft liggen en niet verder draait, want dan mislukt de gehele manoeuvre en moet je weer afvallen en het gehele ritueel overnieuw doen.

Vraag 6: Waarom moet de stuurman het bemanningslid bij de fokkeschoot begeleiden tijdens de manoeuvre ?

De meest voorkomende fout is dat de fokschoot te vroeg losgelaten wordt waardoor dat geflapper van de fok ontstaat en de fokschoot de neiging heeft om verstrikt te raken achter kikkers e.d. De stuurman helpt de man of vrouw bij de fokkeschoot door aan te geven wanneer hij of zij deze kan loslaten. Dit kan pas wanneer de fok zich aan de andere zijde opvult. Dit helpt de boot in het maken van de draai. Als de wind eenmaal aan de andere kant van de fok zit roept de stuurman "los die fok" en kunnen ze loslaten.

Vraag 7: Wat is het risico bij het maken van een gijp ?

Het risico bevindt zich in het maken van een klapgijp, waarbij de giek met een grote zwaai over de boot naar de andere kan overgaat.  De sleutel tot een goed uitgevoerde gijp is de voorbereiding en communicatie met de anderen. Voordat je zelfs maar begint met de draai halen we eerst de grootschoot in tot de giek nagenoeg in lijn met de boot ligt. Pas daarna kan de stuurman vragen of iedereen klaar is voor de gijp.

Vraag 8: Noem de 4 punten waarom het belangrijk is om bij de omgeslagen zeilboot te blijven en wat kan men doen om deze weer overeind te krijgen.

Het is voor opvarenden van een omgeslagen boot van het grootste belang dat zij bij de omgeslagen boot blijven en de volgende voorzorgen in acht nemen.

  • Ga in geen geval de boot verlaten door te trachten de oever zwemmend te bereiken.
  • begeef je, zodra je te water raakt, zo snel mogelijk naar naar de zijde van de boot waar de kiel zich bevindt en bij voorkeur aan de voorzijde waar de boeg zich bevindt
  • Let er in ieder geval wel op dat toegesnelde boten die hulp willen verlenen hun schroef uit het werk zetten als zij langszij komen om vast te maken.
  • Men kan proberen de boot weer op te richten door op de kiel te gaan staan maar wanneer dit niet lukt zal men moeten wachten op hulp die de boot naar ondiep water sleept om daar verdere pogingen te ondernemen.
  •  

 

Vraag 9: Noem de drie hoofdvoorrangsregels:
  1. Kleine vaartuigen (korter dan 20 meter) wijken voor grote schepen (langer dan 20 meter)
  2. Kleine snelle schepen (schepen die sneller kunnen varen dan 20 km /uur) wijken voor alle andere schepen.
  3. Schepen die de stuurboordzijde van het (betonde) vaarwater houden hebben voorrang en mogen niet in hun koers gehinderd worden.
Vraag 10: Noem de 7 uitwijkregels voor zeilschepen onderling
  1. Het kleine zeilschip wijkt voor een groot zeilschip.
  2. Het zeilschip dat zijn zeil over bakboord uit heeft staan heeft voorrang op een schip dat zijn zeil over stuurboord uit heeft staan
  3. Het zeilschip dat zich aan de loefzijde (bovenwinds) van de ander bevindt, wijkt voor het schip dat zich aan zijn lijzijde (benedenwinds) bevindt of anders gezegd loef wijkt voor lij
  4. Oplopende zeilschepen doen dit, indien mogelijk aan de loefzijde.
  5. Het is vanzelfsprekend, maar oplopende zeilschepen zijn ook hier uitwijkplichtig en verantwoordelijk voor het veilig uitvoeren van de manoeuvre.
  6. Zit er in het vaarwater een versmalling, door b.v. werkzaamheden aan de beschoeiïng van de wal, dan kan het voor komen dat twee schepen elkaar niet kunnen passeren. In datgeval heeft het schip dat de versmalling aan zijn stuurboordzijde heeft de plicht om te wachten tot de tegenligger gepasseerd is.
  7. Zeilschepen die de versmalling in een rechte lijn door kunnen varen (zij hebben dit dan bezeild), hebben voorrang op een motorschip. Kunnen zij dit niet dan vervalt hun recht en heeft het motorschip voorrang. Ingeval twee zeilschepen van beide kanten het bezeild hebben, heeft het zeilschip dat zijn zeil over bakboord voert, het recht van de weg. Op stromend water geldt dat met de stroom meevarende schepen altijd voorrang hebben.
vraag 11: Wat verstaat men onder een langsgetuigd schip ?

Langsgetuigd betekent dat de zeilen in de lengte zijn aangeslagen aan de diverse masten en stagen, al dan niet met behulp van een gaffel met een giek.

Vraag 12: Hoe noemt men het aangrijpingspunt van het totaal van de windkrachten die op het zeil werken

De door de wind veroorzaakte kracht op het zeil wordt samengevat tot één totaal die in het zeilpunt aangrijpt. De richting van deze kracht wordt door een pijl voorgesteld die nagenoeg haaks op het zeil staat.

 

Vraag 13: Waar bevindt zich het laterale punt en wat is dit?

Het lateraalpunt is het aangrijpingspunt van de krachten van het water op de kiel die zijdelings op het schip inwerken.
De kracht op het laterale punt van de kiel is gelijk aan de kracht op het zeilpunt van het zeil. Beide krachten houden elkaar in evenwicht.

Vraag 14: Wat verstaat men onder een koppel ?

Een koppel is een samenstel van twee even grote maar tegengesteld gerichte krachten.  Omdat er onder normale omstandigheden een horizontale afstand zal zijn tussen het zeilpunt en het laterale punt, werkt er een koppel op het schip, dat daardoor neigt tot oploeven of afvallen. Deze neiging kan men met het roer corrigeren waardoor de boot weer rechtuit gaat.

Vraag 15: Leg in je eigen woorden uit wat een schijnbare wind is

De schijnbare windsnelheid is gelijk aan de optelsom van de bootsnelheid en de windsnelheid. Zodra een zeilboot snelheid maakt, verandert immers de luchtsnelheid ten opzichte van de boot. Indien de boot pal voor de wind vaart wordt de luchtsnelheid verminderd met de snelheid van de boot. De schijnbare wind voelt in dit geval minder hard aan. Vaart de boot daarentegen pal tegen de wind in dan neemt de windsnelheid toe en voelt de wind harder aan.

De richting van de schijnbare wind is echter heel eenvoudig te bepalen doordat het windvaantje boven in de mast deze windrichting direct aangeeft.

Vraag 16: Welke maatregelen ken je om het omslaan van de boot te voorkomen ?
  1. Bij een aan de windse koers kun je boot iets oploeven of de grootschoot iets laten vieren.
  2. Vaar je halve wind: in dat geval laat je de boot iets afvallen. Dus iets van de windrichting afdraaien om de veiligheid te vergroten.
  3. Dreig je om te slaan en weet je het niet meer, dan alles los. Zowel de helmstok als de schoten loslaten (de fok wel eerst uit de klem halen)
Top